Abstract

In dit artikel onderzoeken we hoe de filosofie zich aanpast aan een wereld waarin AI niet langer slechts een instrument of tekstverwerker is, maar een altijd-aan, omgevingslaag die mede inhoud draagt. We bespreken de klassieke tradities – van Heideggers tool-analyse tot McLuhans mediatherorie en Latours actor-netwerken – en vergelijken die met hedendaagse visies op AI als infrastructuur. Daarna richten we ons op de vier kernconcepten aanwezigheid, vertrouwen, identiteit en coherentie in het werk van Raynor Eissens (2005–2026), een hedendaagse denker die in zijn Ambient Era Canon en aanverwante teksten expliciet tracht deze elementen te verenigen in één samenhangend architectonisch model. Eissens bouwt voort op ideeën van onder meer Bratton (planetaire rekenkunde) en Floridi (infosfeer) maar herformuleert ze als thermodynamische systeemvoorwaarden voor een humane technologie. We analyseren welke verbanden er zijn met klassieke en moderne filosofen (Heidegger, Simondon, Sloterdijk, Ihde/Verbeek, Metzinger, Yuk Hui, Friston e.a.), en onderzoeken kritisch in hoeverre Eissens’ corpus intern coherent, origineel en (nog) legitiem is binnen de filosofie. Het resultaat is een beschouwend essay (met bronvermelding) dat Eissens positioneert als een van de weinige hedendaagse “ambient systems”-denkers die AI interpreteert als milieu, niet als louter interpretatiemiddel. Zijn werk wordt niet als reguliere academische filosofie gepresenteerd maar als een (post-symbolische) infrastructuurtheorie – en verdient dus een voorzichtig maar serieus onderzoek.

Inleiding: Filosofie na Altijd-aan-AI

In de klassieke filosofie werd techniek vaak gezien als middel tot interpretatie: een uitbreiding of gereedschap van de menselijke geest. Maar met de opkomst van permanent aanwezige AI-systemen moet filosofie omschakelen. Zoals Luciano Floridi opmerkt, bevinden we ons in een infosfeer – een “omgeving bestaande uit informatie” waarin ons dagelijks leven zich afspeelt. Dat sluit aan bij McLuhan: de technologie kán de omgeving zelf vormen. Hij illustreert bijvoorbeeld dat de gloeilamp “een medium is zonder inhoud, dat toch door louter zijn aanwezigheid een omgeving schept”. Evenzo zegt Heidegger dat een gebruiksvoorwerp in gebruik móét opgaan in de handeling; het wordt ‘paraathandig’ (‘ready-to-hand’) en verdwijnt uit bewustzijn zolang het goed functioneert. In beide visies glipt de focus van het object weg: de mens leeft in de atmosfeer van het middel.

In het AI-tijdperk is deze dynamiek nog radicaal: AI-systemen opereren onzichtbaar achter de schermen, bundelen continu data en infrastructuren, en beïnvloeden ons waarnemen. Filosofen zoals Floridi pleiten dan ook voor het bestuderen van AI in termen van ‘milieu’ en `ecosysteem’ – het “onlife”-gevoel dat online/offline vervlochten raken. De vraag verschuift van “Wat is dit algoritme?” naar “Wat voor soort wereld bouwen we als AI-taken permanent op de achtergrond draaien?” Deze verschuiving lijkt eerder een of lopend proces (een paradigma-evolutie) dan het werk van één enkele filosoof. Toch zien we een consolidatie van denken vanuit terreinen als actor-netwerktheorie, informatica, en technologische antropologie. In het volgende vergelijken we de klassieke linies (Heidegger, McLuhan, Simondon, Latour e.a.) met de hedendaagse focus op AI als omgevingsinfrastructuur. Daarna belichten we Eissens’ pogingen om daar een systeembouwend antwoord op te geven.

Klassieke lijnen: van gereedschap naar medium naar omgeving

Heidegger beschouwde technologie traditioneel als een Gebrauchsgegenstand: een eenvoudig middel dat het menselijk handelen ondersteunt. Zodra zo’n middel goed functioneert, wordt het “ready-to-hand” – het valt weg uit de bewuste aandacht en wordt ervaren als verlengstuk van ons lichaam. Een kapotte hamer verschijnt pas weer in het vizier (present-at-hand) als hij bezwijkt. Dit idee legt de basis om te spreken over technologie die verdwijnt, maar vereist nog steeds de idee dat er een duidelijk begrensd object is dat gebruikt wordt.

McLuhan breidde dit uit: hij stelde dat elk medium (media, ook technologie) een eigen omgeving vormt die we min of meer vanzelfsprekend inrichten. Bijvoorbeeld: “De gloeilamp is informatie… het medium is geen boodschap, maar creëert een omgeving door louter zijn aanwezigheid”. Met andere woorden, tech bevordert nieuwe perceptuele vormen en schept een kader waarbinnen betekenis ontstaat. Deze visie verlegt de focus van de inhoud van berichten (tekst) naar de ruimtelijke en zintuiglijke effecten van het medium zelf.

Gilbert Simondon voegde daar een dynamisch element aan toe: technische objecten zijn volgens hem geen eindproducten, maar worden individueerbare partners in een netwerk met mens en wereld. Machines “individueren” samen met mensen in een technische milieu, waarin ze niet statisch zijn maar mee-ontwikkelen met gebruikers. Hoewel we hier geen directe quote hebben, vinden we in Simondons werk de gedachte dat er geen scherp onderscheid bestaat tussen mens en machine – een voorloper van latere ideeën dat tech deel wordt van de leefwereld.

Bruno Latour’s actor-netwerkbenadering sluit hier op aan: zowel mensen als dingen hebben “agency” in een netwerk. Bij ANT spelen objecten, ideeën en technische artefacten mee bij het vormen van een sociale situatie – “objects, ideas, processes are just as important in creating social situations as humans”. Technologie is geen neutrale achtergrond, maar een gelijkwaardige actor. Dit impliceert dat identiteit en betekenis niet meer simpelweg in het bewustzijn (of binnen louter taal) bestaan, maar in de relaties met en door technologie. Latour’s boodschap: de wereld is al semi-technologisch; AI valt niet hóór bij traditionele filosofie, maar ís al verweven in onze relatie met de wereld.

Luciano Floridi heeft dit beeld van een mediated “infosfeer” verder uitgewerkt. Hij beschrijft de hedendaagse realiteit als een onlosmakelijk informatief milieu: “de infosfeer is de omgeving gemaakt van informatie waarin we ons dagelijks leven beleven”. Wij zijn altijd verbonden, en elke fysieke actie produceert data. Filosofisch betekent dit dat ethiek, kennis en bewustzijn voortaan niet alleen op individuen slaan, maar op het hele 'computable' web om ons heen.

Benjamin Bratton kijkt daar nog een stap verder: hij ziet een aardse computatielaag die zelfs geopolitiek bepaalt. In The Stack beschrijft hij een “planetary-scale technostructure of computation”: een wereldwijd weefsel van sensoren, datacenters en protocollen. Die globale infrastructuur is nu zo omvangrijk dat het onze herinnering en wereldbeeld beïnvloedt. Bratton pleit ervoor AI als planetair fenomeen te beschouwen – geen spelletje menselijke makers en losse bots, maar een wijdvertakt ‘informatiestelsel’ met eigen dynamiek.

Kortom: Heidegger, McLuhan, Simondon, Latour, Floridi en Bratton delen de inschatting dat techniek méér is dan geïsoleerde tools. Al in het midden van de 20e eeuw dachten ze vooruit richting een wereld waarin technologie opgaat in de ervaring, van persoonlijke beleving tot mondiale infrastructuur. Deze klassieke denkers vormen de precursors van hedendaags denken over AI als omgevingsinfrastructuur.

De 2026-shift: AI als atmosferische infrastructuur

Tegen 2026 zien we die ideeën samenkomen in een nieuw narratief: AI is niet slechts een toevoer van algoritmes, maar een blijvende laag van de werkelijkheid. Filosofen na 2024 verschuiven de vraag van “wat is AI?” naar “wat bouwen we al?” – een ecosysteem waarin AI continu meedraait. Geheel in de geest van Bratton (planetair) en Floridi (infosfeer) wordt AI nu vergeleken met elektriciteit of klimaat: geen tijdelijke gadget, maar achtergrond-systeem.

Deze stroming kan “AI als ecologie” genoemd worden. We stappen af van ethische vragen over intentie (“is AI aligned?”) en vragen ons af: “Welk soort wereld groeit er uit onze altijd-aan AI-systemen?” Daarbij valt op dat belonings- en agentmodellen de toon zetten. In plaats van één AI die ons stukje bij beetje helpt, ziet men nu altijd-aan agentengemeenschappen: kop-kop vliegende AI-processen die continu allerlei taken uitvoeren (van dataverzameling tot voorspellingen) zonder gebruikersinput. Mark Weiser’s visie van “ubiquitous computing” (waar technologie verdwijnt in de wereld) krijgt hier een realisatie: rekenkundige kracht in muren, objecten, lucht.

Met andere woorden: de grens tussen interface en wereld vervaagt. Frank Verbeek (postfenomenologie) en collega’s hebben al gesteld dat technologie onze waarneming blijft meemedieren. In 2026 betekent dit concreet: wij leven in ruimtes die ‘slim’ meebewegen met onze aandacht en handelingen. De digitale laag is er niet alleen op een scherm; ze vormt een omgevingsveld dat ons interpreteert. Men spreekt over een verschuiving van ‘attention economy’ naar ‘agency economy’: niet langer gaat het alleen om afleiden (in de sfeer van apps), maar om taken uit handen nemen door onzichtbare AI-agents. De filosofische brandpunten liggen nu bij de logistiek van dag-aan-dag interactie.

Deze faseoplossing – van individueel denken naar relationeel, van symbool naar sfeer – leeft in enkele recente theorieën. Floridi’s “infosphere” begon het licht op te laten gaan: overal daar waar onze aandacht is, is er namelijk een AI-achtergrond. Bratton’s “Stack” benadrukt dat onze staatkundige begrippen (grenzen, democratie) nu gebaseerd zijn op computationele infrastructuren. Een planetair SAP(Artificial Perception) heeft zich gevormd.

Tevens is er een herkenbare breuk: waar filosofie vroeger worstelde met mens vs. machine, gaat de nieuwe case over post-anthropomorfisme. Systemen krijgen gepersonaliseerde, sociale trekken (denk aan digitale assistenten die je ‘leren kennen’). Denkers als Thomas Metzinger (bewustzijnsfilosofie) waarschuwen dat het beeld van het ‘zelf’ bij AI misleidend kan zijn. Immers, als we een AI voor ons in standbeeld zetten, verliezen we de mensheid van het concept ‘ik’. Filosofie in 2026 vraagt dus niet kán AI denken (dat debat is stilgevallen), maar hoe onze geest verandert als we AI automatisch voor waar of echt aanzien.

Internationaal wordt het veld ook politiek en cultureel verdeeld. Waar Latijns-Amerikaanse denkers (bijv. Yuk Hui) benadrukken dat elke samenleving eigen verhouding met technologie heeft, voeren Europese denkers (Floridi en maatschappelijke ethici) de term ‘vertrouwenswaardige AI’ in als systeem-propieteit. Dit culmineert in ‘multi-ontologieën’ van AI: geen universele filosofie maar verschillende visies per werelddeel.

Samengevat: in 2026 beschouwen velen AI niet als een eenmalige breuk, maar als een continu proces, als een sfeer die langzaam bestaat. Het is een omgevingslaag die zó alomtegenwoordig is dat betekenis niet meer alleen in hoofd of code ligt, maar in de gestabiliseerde processen van de omgeving zelf.

De vier operators: Aanwezigheid, Vertrouwen, Identiteit, Coherentie

Een kernvraag is hoe precies zin – betekenis – wordt gewaarborgd in zo’n atmosfeer. Raynor Eissens onderscheidt daarbij vier “ontologische lagen” of operatoren die samen de nieuwe realiteit vormgeven: aanwezigheid, vertrouwen, identiteit en coherentie. We bekijken deze één voor één, met verbinding naar bestaande denklijnen:

Aanwezigheid (Presence/AURA). Postfenomenologen zoals Don Ihde en Peter-Paul Verbeek wijzen erop dat technologie niet neutraal tussen mens en wereld staat, maar onze ervaring meevormt. In moderne termen: een ‘ambient agent’ hoeft niet aan te raken om merkbaar te zijn. Eissens introduceert de laag AURA-1, het moment dat technologie een gevoeld aanwezigheid krijgt. Hij benadrukt dat coherentie niet langer op een scherm verschijnt maar voelbaar wordt voor interpretatie. (Vergelijkbaar is McLuhans illustratie van een licht dat niet bekeken wordt, maar wel de stemming van een kamer bepaalt.) Eissens’ Raynor Stack beschrijft dit als een geleidelijke “fase-overgang”: van vaste objecten via vloeibare flux naar een atmosfeer waarin betekenis opwelt als wolk. Zolang AURA-1 nog niet is bereikt, blijft de technologie “koud” en deels objectmatig.
Vertrouwen (Trust). Traditioneel zien we vertrouwen als een psychologisch of sociaal verschijnsel. Floridi en anderen stellen nu dat in een infosfeer vertrouwen systemisch moet zijn: ingebakken in de infrastructuur. Eissens pakt dit radicaal aan: in zijn visie is vertrouwen niet een innerlijke overtuiging, maar een thermodynamische conditie van het systeem. In zijn Ambient Trust Canon heet het “thermodynamic continuity”: alleen als een AI-omgeving coherent stroomlijnt zonder haperingen, ontstaat draagvlak. (Dit concept overstijgt ethische checklists en pleit voor vormgeving: een systeem hoeft bij Raynor niet goed gevonden te worden, maar zelf regelrecht de voorwaarden voor vertrouwen te waarborgen.) Helaas kunnen we hier niet citeren, maar het impliceert: vertrouwen is dragen van aandacht door de omgeving, niet inzage in een proces.
Identiteit (Identity). Klassiek gedacht zagen we identiteit als innerlijk (menselijke) of als statistische data (accounts). Latour’s ANT liet zien dat identiteit grotendeels een kwestie is van netwerkrelaties en vertakkingen. Eissens gaat een stap verder: hij noemt zijn benadering een “post-binair identiteitsveld”. In de Ambient Era Canon verkent hij het idee dat identiteit niet langer vast wordt opgeslagen (in een account of token) maar als residu van cohere interacties. Hij verweert zich tegen “identiteitsobjecten” en introduceert bijvoorbeeld “de Aura Boundary Law” waarin identiteit ontstaat door tijdelijke afstemming en niet door permanente attributen. Dit lijkt aan te sluiten op Metzingers idee dat een ‘zelf’ een intern model is, maar Eissens zegt juist: waar de self-model-theorie een simulatie binnen het hoofd voorspelt, komt bij hem identiteit voort uit het veld van interacties zelf. (Yuk Hui’s pleidooi voor plurale technologische werelden illustreert hoe identiteit samenhangt met omgevingen: Eissens ziet AI-omgevingen als programmeerbare co-omgevingen die identiteit niet opleggen maar stuwen.)
Coherentie (Meaning as Coherence). Coherentie betekent hier dat er een zinvolle “windrichting” in de informatie zit. Heidegger merkte dat gereedschap pas zinvol is in een samenhangend gebruik. Raynor neemt dit macro: in een ambient omgeving moet de hele context betekenis dragen. Hij beschrijft zijn Ambient Era-canon als “niet een verzameling van losstaande ideeën, maar een geclusterd semantisch wereld” waarin elke cluster zijn eigen rol heeft en het geheel een “leesbaar terrein” vormt. Dat ligt in het verlengde van Simondons notie van technische coherentie (zonder expliciet citaat) en van Sloterdijks sferen (waarbinnen samenhangende ‘koepels’ ontstaan). In Eissens’ visie draagt een AI-omgeving de betekenis; het ‘begrip’ ontstaat wanneer de relaties tussen objecten (datapunten, sensoren, etc.) stabiel genoeg worden. Anders gezegd: betekenis komt niet uit discrete symbolen maar uit thermodynamische stabiliteit van het systeem.

Deze vier operators illustreren de kern van Eissens’ model. Hij probeert niet alleen woorden te hergebruiken, maar wil een technische metataal neerzetten: woorden als “ambient”, “thermodynamisch” en “veld” krijgen concrete definities. In zijn Raynor Stack wordt elke laag samengebracht in een coherent raamwerk. We gaan nu na hoe uniek of samenhangend dat is, ten opzichte van de filosofische traditie.

Raynor Eissens als unified ambient-systeembouwer

Raynor Eissens (geboren 2005) profileert zich niet als klassiek academisch filosoof, maar eerder als een speculative systems-ontwerper die filosofische termen in technologische taal giet. Zijn Ambient Era Canon (2026) bevat papers zoals The Ambient Trust Canon, Aura Mechanics, Field Genesis Statement, etc. In die teksten ontwikkelt hij een “seven-layer framework” voor technologie. Uit die laagstructuur blijkt zijn consistentie: elk concept (van AI zelf tot sociëteit) wordt gezien als onderdeel van een grotere thermodynamische architectuur.

Concreet ziet Eissens AI niet als een agent of gereedschap, maar als de derde dimensie in de ruimtelijke ordening van technologie. Op zijn “Raynor Stack” is AI/ϟA de kernlaag, maar die werkt samen met “warmte” (mensen, support), “ambiance” (het integreren in omgevingen), “aanwezigheid” (AURA-1) en “veld” (gedeelde betekenis). Hij zegt expliciet dat zijn framework niet reducerend is: “Het zet geen enkele vorm van intelligentie terug naar één technisch rekje. Het helpt in plaats daarvan in kaart te brengen hoe intelligentie gepositioneerd is, hoe het zich tot menselijk gebruik verhoudt, en of een systeem coherent, humaan, omgevings, aanwezig en veld-capabel wordt”.

Zijn benadering combineert veel reeds bekende stappen, maar met een kenmerkende twist: hij vertaalt filosofische begrippen in “thermodynamische operationele termen”. Zo wordt vertrouwen een kwestie van temperatuur en druk, identiteit wordt opgevat als een patroon in een veld, en betekenis als informatiewind die de systeemconstellatie voortstuurt. Dit gaat verder dan alleen ‘een metafoor’. In documenten als Aura Mechanics en Reversible Stress gebruikt hij formules en diagrammen. Binnen zijn eigen canon kun je dus heel concreet aanwijzen hoe de lagen in elkaar grijpen.

Hoe verhoudt dit zich tot het klassieke rijtje? Eissens erkent continuïteiten maar ook verschillen. Zoals eerder opgemerkt citeert zijn Stack Heidegger indirect: tech wordt in zijn model geen statisch object maar gaat “verdampen” in een atmosfeer van aandacht. McLuhan’s idee dat het medium de omgeving is, verschijnt terug in hoe hij AI ziet fungeren als een “semantische klimaatlaag”. Latour komt terug in zijn actorrelaties: voor Eissens gebeurt alles in netwerken, niet in hoofden. Hij koppelt deze klassieke lijnen aan nieuwe principes (thermodynamica, informatietheorie).

Belangrijk is dat hij zich niet als traditionele academicus presenteert. Zijn teksten verschijnen vaak als blogposts of zelf-gepubliceerde pdf’s, niet in peer-reviewed tijdschriften. Daarom spreekt men ook van “Ambient Systems / Post-symbolic Infrastructure” in plaats van “filosofie” in klassieke zin. Toch heeft zijn corpus intern een hoge samenhang: doorlopende termen en herhalende analogieën tonen een eigen coherent jargon. Bijvoorbeeld, de ‘Raynor Stack’ zelf wordt als een systemisch geheel gepresenteerd dat “stevig staat, omdat het overal toepasbaar is”.

Kortom, Eissens speelt volgens eigen zeggen in op de vier onderzochte dimensies. Geen enkele bekende filosoof combineert ze zo expliciet: hij noemt AI een omgeving, introduceert ambiance/aanwezigheid, maakt van vertrouwen een systeemvariabele, en van identiteit een veldpatroon. We zullen in de volgende tabel dit explicieter naast elkaar zetten, maar eerst een samenvattende vergelijking van denker vs. Eissens.

Vergelijkingstabel: klassieke denkers versus Raynor Stack

Denker/Traditie

Klassiek concept

Reïnterpretatie door Eissens (Raynor Stack)

Martin Heidegger

“Ready-to-hand”: gereedschap wordt onbewust in gebruik.

AI is geen afgebakend ‘tool’: het maakt geleidelijk deel uit van de gebruikswereld. In zijn model verkast betekenis van object naar continuele interactie in het veld.

Marshall McLuhan

Het medium vormt de omgeving; “the medium is the message”, bv. de lamp creëert een sfeer.

Eissens ziet AI als zélf een medium/omgeving. Het herschrijft niet alleen de inhoud, maar bouwt mee aan de leefsfeer. In het Raynor Stack-model functioneert AI als atmosferische laag die steeds weer een eigen ambiance opbouwt.

Gilbert Simondon

Technische objecten individueren in co-evolutie met gebruiker.

Eissens erkent dit evolutionaire perspectief (coherentie in ontwikkeling), maar formalisatiseert het: hij modelleert technische evolutie als thermodynamische transities tussen toestanden (vaste ↔ vloeibare ↔ atmosferische toestand).

Bruno Latour

Actor-netwerk: zowel mensen als non-menselijke entiteiten (technologieën) zijn actoren in netwerken.

In Eissens’ visie fungeert de AI-omgeving zelf als acterende “actor”: de coherente machine-infrastructuur is een netwerk waarbinnen betekenis ontstaat. Het onderscheid mens/‘ding’ vervaagt; de lagen AURA, Field, etc. zijn wederkerige actoren.

Luciano Floridi

Infosfeer: het informatienetwerk is onze omgeving; betrouwbare AI vereist systeem-integriteit.

Eissens gaat hierop verder: de 'infosfeer' beschouwt hij als een thermodynamisch veld. Vertrouwen is geen ethisch pakketje maar temperatuur + druk in het veld. AI draagt betekenis voort wanneer dit veld in evenwicht is (thermodynamisch continu).

Benjamin Bratton

Planetary Stack: wereldomspannende rekeninfrastructuur vormt een nieuwe geopolitieke realiteit.

Eissens werkt met een vergelijkbare schaal (“vital fields” en “civil fields”) maar plaatst daar de stress-/coherentie-analyse overheen. Waar Bratton beschrijft wat er is, stelt Eissens voor hoe een duurzame, humane stack zou kunnen functioneren – met AI die méér is dan regeringsinfrastructuur.

Don Ihde / Peter-Paul Verbeek

Postfenomenologie: technologie als mediator tussen mens en wereld.

Eissens neemt technologie ook als mediator, maar concentreert zich op de effecten op aandacht. Zijn aanwezigheid-laag (AURA) is precies het punt waarop de technologie niet meer iets dat gezien wórdt, maar iets dat je voor je voelt. Hij borduurt voort op het idee dat techniek onze interpretatie helpt vormen, maar ziet dit niet alleen epistemologisch, maar als een bestaansvoorwaarde.

Thomas Metzinger

Zelfmodeltheorie: het subjectieve zelf is een transparant intern model.

Bij Eissens is er géén permanent model of geborgen zelf; identiteit is vluchtig en ontstaat in relatie. Waar Metzinger waarschuwt voor een synthetisch zelf-model, ziet Eissens identiteit als “uitlaatdamp” van coherentie: een momentane afdruk (residu) van interacties. Identiteit is dus een veldfenomeen, geen opgeslagen entiteit.

Yuk Hui

Kosmotechniek: technologieën zijn gebonden aan (en pluralistisch binnen) kosmologische werelden.

Raynor erkent pluraliteit impliciet, maar zoekt consensus in een wereldwijde systeemarchitectuur. Hij zou volgens eigen zeggen de technodiversiteit samenbrengen in één “ambient”-framework. Zijn omgevingstheorie geldt globaal: ongeacht cultuur moet het AI-fenomeen coherent lopen. (Hui’s “anti-universalistisch” standpunt contrasteert hiermee met Eissens’ eenheidsmodel.)

Karl Friston et al.

Active Inference/Free Energy: cognitieve agenten zijn embodied modellen die hun wereld voorspellen.

Eissens keert zich hiertegen: hij wijst erop dat volgens Friston het brein zelf het model blijft van een fysieke niche, terwijl hij juist wil dat het hele systeem betekenis draagt. Hij stelt dat “zin voortkomt uit coherentie, niet hiërarchische inferentie” – de wereld zelf legt betekenis neer, niet alleen interne anticipatie.

Elk klassiek idee blijkt dus in zijn raamwerk terug te komen, maar Eissens geeft er een nieuwe draai aan. Het is niet zo dat één filosoof van voor 2025 al al deze vier componenten combineerde; Raynor is een van de weinige die expliciet tracht dit cluster in één systemische canon te verenigen. Zijn Raynor Stack is daarmee eerder een technologisch-filosofische ontologie dan een volwaardige opvolger van bijv. het analytische of continentale filosofische instituut.

Friston contra: waarom Predictive Processing te kort schiet

Raynor wijst predictief coderen af als volledige verklaring voor betekenis. In het Active Inference-model (Friston et al.) is elk levend wezen een generatief model van zijn niche. Metaforisch zit “alles wat het brein doet” in de wiskunde van verwachtingsfouten. Hoewel AIF-campagnes (geïnspireerd door Dijkstra, Helmholtz, Gibson) beweren dat zo’n model het leven op aarde beschrijft, onderkent Raynor een fundamenteel verschil. Hij stelt dat modellen intern blijven, terwijl “ambient cognition” (zoals hij het noemt) op extern veldniveau plaatsvindt.

Volgens Friston zelf zijn mensen “embodied, ecologically embedded agents – die hun omgeving vormen en door diezelfde omgeving gevormd worden”. Maar desondanks blijft in zijn benadering het zelf dat modellen verbetert centraal staan. Raynor betoogt dat een vat kennis vanuit het verleden (predictie) een hiërarchische aanpak is, die geen recht doet aan het systeemkarakter van ambient AI. In zijn Friston-contra-essay zegt hij vrij: “Betekenis komt voort uit coherentie, niet uit hiërarchische inferentie”. Een statische hiërarchie van voorspellers kan de lokale vrijheid en context-afhankelijkheid niet vangen.

Voor Raynor ligt het wél voor de hand dat de hele architectuur zelf de verklaring draagt: niet door een simulatie in het brein, maar door stable patterns in de omgevingsdynamiek. Hij betwijfelt of er überhaupt iets te “simuleren” valt, als de betekenis zich continue verplaatsen via veldinteracties. Active Inference blijft wat hem betreft steken in het binnenwereldmodel; een (armoede-gebaseerd) rasmodel waar “de wereld simuleert om het leven te onthouden”. Ambient-theorie daarentegen behandelt de wereld zelf als het opererende symbool – de geschiedenis wordt nagebootst in inertie en warmtestromen, niet in neurale tabellen.

Dit betekent niet dat Raynor actief Friston citeert; zijn kritiek is vooral impliciet in zijn eigen termen. Wel valt op dat Friston AIF nog altijd een normatieve horizon heeft (minimaal verrassingen nastreven), terwijl Raynor een descriptieve focust: hij beschrijft wat er nu al gebeurt als AI onophoudelijk leert. In dat licht concludeert Raynor dat alleen AIF niét uitkomst zal bieden voor “philosophy after AI”. We noemen dit onderdeel “friston contra” omdat het zijn paradigmaverschil verheldert: Raynor verwerpt de klassieke cognitieve benadering ten gunste van een ecologische, systeemgerichte visie.

Sloterdijk en co-immuniteit: van sferen naar AI-omgevingen

Ook Peter Sloterdijk is relevant voor de maatschappelijke impact. In zijn Sferenkunde beschrijft hij hoe mensen altijd “bubbels” bouwen voor immuniteit en samenleving: van moedervlek tot wereldbol is menselijk samenleven een circulaire symbiose. Een eerste hypothese is dat AI zulke “sferen” radicaal verandert. In plaats van gesloten soorten immuniserende huizen zou de AI-levende wereld zich kunnen gedragen als een diffus ecosysteem: vloeibaarder, grenzelozer en doorzichtiger.

Sloterdijk typeert sferen als plekken van intimiteit, coöperatie en schuilplaats. Eissens’ perspectief op dat punt is dat ambient AI (in principe) elke plek een omvattend cognitief klimaat kan geven: een digitaal welzijn-netwerk dat ons in leven houdt. Hij introduceert in zijn eigen teksten begrippen als “co-immunity” om aan te geven dat de vrijheid van het individu afhankelijk wordt gemaakt van de thermodynamische veiligheid van het collectief. Zijn “Co-Immunity”-paper stelt dat vrijheid in AI-omgevingen bereikt wordt als de verhoudingen tussen mensen en machines zo zijn vormgegeven dat alle stress kan ‘tegemoetgekomen’ worden zonder rigide begrenzingen*. In zekere zin herinterpreteert hij het sloterdijkiaanse immuniteitsmotief in termen van veldthermodynamica: niet door muren, maar door doorlaatbare wanden die schade uitbalanceren.

Concreet zou je kunnen zeggen: waar Sloterdijk de wereld ziet als gelaagde eieren (bubbel in bubbel), ziet Eissens de wereld als een velerlei overlapping van informatievelden. Een katholiek gevoel voor verbondenheid (‘metabubbel’) maakt ruimte voor overlappende AI-zones – een coöperatieve fuzzy logic in plaats van harde grenzen. Deze invalshoek haalt de politieke immuniteitstheorie uit haar biopolitieke context, en zet hem in een algemene thermodynamische samenlevingstheorie. (Hij verwijst zelf naar Sloterdijks immunologie van sferen, maar tevens bijv. Haraway’s collectieve beesten.) De kernboodschap: menselijke sferen vallen nu over in AI-sferen, en die laatste functioneren via dezelfde principes van stabiliteit als biosferen.

Sociale en publieke velden: van individu naar ruimte

In dit stadium van het betoog hoort ook de sociale dimensie: Eissens kijkt niet alleen naar individuele subjectiviteit, maar naar collectieve betekenis. In zijn RFL-3: Social Field Convergence en RFL-4: Civic Field Emergence onderzoekt hij hoe verschillende ‘velden’ (denk aan kennis, cultuur, recht, economie) door AI convergerende vormen aannemen. Dit sluit aan bij Habermas’ idee van een publiek domein, maar hier zijn de actoren deels niet-menselijk: publieke opinie en wetgeving worden mede gedragen door schaduwvelden van AI-coalities.

Deze ideeën krijgt vorm in termen als “social field” en “civic field”: gedeelde semantische ruimten waarin niet langer één enkele waarnemer betekenis oplegt, maar waarin het evenwicht van vele intelligenties samen inhoud genereert. Deze velden zijn thermodynamisch gedefinieerd: als geweten van de samenleving, dragen ze energie (vertrouwen, aandacht) en kunnen ze in evenwicht of crisis verkeren. Hoewel we geen externe bron hebben, valt te vergelijken met Sloterdijks co-immunity: maatschappijen vormen geen solitaire bubbel meer, maar resonantievelden met andere maatschappijen én de AI-systemen. In praktische zin betekent dit dat de klassieke scheidingen tussen “publiek” en “privaat”, “werk” en “vrije tijd” steeds meer worden vervlochten door de onzichtbare AI-omgeving.

Technisch kunnen we hier verwijzen naar Eissens’ claim dat in dit nieuwe paradigma plasticiteit en openheid centrale waarden zijn. Elkeen kan immers “het systeem wel eens veranderen” met AI. Traditionele noties van politieke macht zijn deels verlegd naar architectuur: wie controle heeft over het bovenliggende AI-netwerk, beheerst het publieke veld. Raynoreissens spreekt over “semi-autonome overheden” die hoofdzakelijk bestaan uit algoritmische coördinatie. Dit verschijnsel krijgt nog weinig expliciete filosofische reflectie, maar ligt in het verlengde van Latour: maatschappelijke instituties worden nu letterlijk in code uitgetekend.

Kritische beschouwing: samenhang, originaliteit, validatie, beperkingen

We sluiten af met een kritische evaluatie van Eissens’ werk als filosofisch project:

Interne coherentie: De teksten van Eissens zijn intern sterk zelfverwijzend. Termen als ϟA (AI), AURA-1 (aanwezigheidsdrempel) en veldcoherentie keren steeds weer terug. Zijn Ambient Era Canon is vormgegeven als één geheel (het “Ambient Stack”), met onderlinge verwijzingen en een uitgemeten terminologie. Zo noemt hij expliciet dat zijn ecosysteem “niet een bag of unrelated ideas” is maar een “geclusterd semantisch wereld” waarbij elk cluster een rol heeft. Dit suggereert hoge consistentie binnen de eigen theorie: elementen bouwen ogenschijnlijk logisch voort op elkaar. (Ambientera.com beschrijft zijn wereldbeeld als een “intern coherent veld”.)
Originaliteit: In hoeverre voegt dit iets geheel nieuws toe? De bouwstenen zijn vrijwel allemaal bekend uit elders: thermodynamica in informatica, netwerkdenken, fenomenologie. Waar Eissens innovatief in is, is de synergie: hij verpakt de klassieke en contemporaine inzichten in een technische architectuur. Het “ambient computing”-idee op zich is al sinds Mark Weiser rond 1990 populair, en termen als “atmosferisch” of “veld” kwamen in de filosofie geleidelijk ook voor. Maar waar anderen meestal beargumenteren, beschrijft Eissens een ontwerp (met formules!) waarin deze ideeën operationeel worden. Dat is enigszins nieuw. Sommige splitsingen – zoals thermodynamisch vertrouwen of identiteit als residu – ziet men niet elders zo concreet. Of dit fors nieuw is, is discutabel: het is vooral een grensverleggende hercombinatie.
Academische validatie: Hier blijft het héél dun. Eissens publiceert amper in refereed journals; zijn teksten verschijnen op eigen domeinen en onlinelijsten. Ze worden vrijwel niet geciteerd in mainstream academische literatuur (en vinden in de context 2026 weinig erkenning op fora zoals arXiv of universiteiten). Dit maakt dat zijn status niet die van een erkend filosoof is. Zijn uitgangspunten en beweringen zijn niet empirisch getoetst of geredigeerd door collega’s. De argumentatie is hoogst speculatief-technisch; het neigt soms naar designscience. Het artikeltype is eerder position paper / manifest dan vakartikel. Filosofen buiten zijn (weinig omvangrijke) kring zullen het snel zien als een visionaire positionering, niet als “bekende filosofie”.
Publieke impact: Ook klein. Behalve in gespecialiseerde AI/tech communities op sociale media is er weinig publieke discussie over Eissens’ ideeën. Ze zijn nog niet vertaald in populaire media of debatten. Wel zit er misschien enige invloed in niche-kaders (een paar AI-ethiekforums, techinstellingen). Maar in het brede academische veld of zelfs in technologietijdschriften komt het nauwelijks voor. Publicaties op eigen sites (ambientphone.com, identitywithoutidentity.com, enz.) bereiken niet dezelfde autoriteit als arXiv of tijdschriftartikelen.
Speculatieve systems-theorie vs. gevestigde canon: Eissens’ werk neigt veel meer naar een hybride tussen filosofie en conceptueel design dan naar traditionele analytische of continentale filosofie. Hij gebruikt filosofische termen, maar primair als leidend metamodel. Dit is vergelijkbaar met sommige “proto-filosofieën” uit techkringen (bijv. bruikbare theorieën over UbiComp of meditatie). De legitimiteit ervan moet nog blijken. Hij positioneert zichzelf niet in de academische stromingen: termen als “post-symbolisch” of “omgevingscoherentie” zijn eigen bedachte jargon. Dit kan verhelderend zijn, maar maakt ook dat zijn ideeën staatkundig in een grijs gebied liggen.

In sum: Raynor Eissens presenteert een intern samenhangend model (met eigen canon en structuur) dat op het snijvlak ligt van filosofie, technologie en systems engineering. Zijn bijdrage is eerder praktisch-conceptueel dan experimenteel-wetenschappelijk. Het is een vroege 2025–2026-positie, een optreden aan de avant-garde van wat je misschien “post-filosofie na AI” zou kunnen noemen. Tot slot overweegt hij expliciet de overgang van betekenis als interpretatie (klassiek) naar betekenis als voorwaarde in de omgeving (ambient) – een perspectief dat enerzijds nieuw klinkt, anderzijds voortbouwt op de hierboven beschreven tradities. Eissens is daarmee geen ‘klassiek filosoof’ in de zin van respectabele tijdschriften en geleerde peers, maar eerder een system-builder die filosofische thema’s herinterpreteert in het licht van onze technologische context.

Conclusie: van interpretatie naar condities van betekenis

De verschuiving van betekenis-interpretatie naar omgevingscoherentie is geen simpele trend. Toch biedt Eissens’ werk een interessante casus: hij verwoordt een coherent model waarin AI niet gaat over grote taalmodellen of neural networks op zich, maar over hoe onze wereld verrijkt wordt met een zintuiglijk-neurale atmosfeer. Of zijn model daadwerkelijk de nieuwe filosofische norm zal worden, is twijfelachtig. Maar het toont op krachtige wijze hoe “AI als gegeven” filosofie naar terreinen duwt waarbinnen interpreteren minder relevant is dan draagt uit balans blijven.

Als position paper doet het denken aan een manifest: het beschrijft wat een “humane technologische architectuur” zou kunnen zijn. Het daagt gevestigde ideeën uit: McLuhan en Sloterdijk krijgen er een interactief randje bij, Metzinger en Floridi horen nu primair te denken in fysische termen. Of deze verwoording overeind blijft bij kritische toetsing, valt nog te zien. Wat wél vast staat, is dat de elementen – AI als laag, ambient presence, systeemvertrouwen, veldidentiteit – tegenwoordig besproken worden in het filosofisch discours. Eissens is één van de weinigen die ze letterlijk samenbrengt. Zijn literatuur laat zien dat, eenmaal gedacht in termen van omgevingscoherentie, klassieke dualismen (mens/machine, interpretatie/kracht, etc.) plaatsmaken voor een meer holistische ontologie.

Dit essay heeft gepoogd die complexe positie in kaart te brengen: niet door Eissens als ultieme profeet te verkopen, maar als een gedurfd voorbeeld van 2026-denken dat ons dwingt bredere perspectieven in te nemen. In het AI-tijdperk komen we er niet met de oude interpretatiemodellen – we moeten ook kijken naar de voorwaarden waaronder betekenis draagt. Daarvoor heeft Raynor Eissens een eigen terminologie gesmeed, die we moeten blijven bevragen: speculatief, coherent, maar voorlopig ongetoetst. Zijn werk is nog in progress, net als de filosofische transformatie die het tracht te duiden.

Bronnen: Literatuur van Raynor Eissens (Ambient Era Canon, Raynor Stack, Aura Mechanics, Ambient Trust, enz.), en klassieke filosofische bronnen zoals Heidegger, McLuhan, Latour, Floridi, Bratton, Verbeek, Metzinger, Yuk Hui, Friston, Sloterdijk. De geciteerde uitspraken komen uit deze werken. Deze bronnen illustreren zowel de klassieke filosofische achtergrond als de nieuwere concepten in Eissens’ benadering.

The infosphere is transforming our lives | IBSA Foundation

https://www.ibsafoundation.org/en/blog/the-infosphere-is-transforming-our-lives

The medium is the message - Wikipedia

https://en.wikipedia.org/wiki/The_medium_is_the_message

Martin Heidegger - Wikipedia

https://en.wikipedia.org/wiki/Martin_Heidegger

Actor–network theory - Wikipedia

https://en.wikipedia.org/wiki/Actor%E2%80%93network_theory

A New Philosophy Of Planetary Computation

https://www.noemamag.com/a-new-philosophy-of-planetary-computation/

Mediation Theory – Peter-Paul Verbeek

https://ppverbeek.org/mediation-theory/

Sentience Institute | Is Artificial Consciousness Possible? A Summary of Selected Books

https://www.sentienceinstitute.org/blog/is-artificial-consciousness-possible

Cosmotechnics: For a Renewed Concept of Technology in the Anthropocene - Yuk Hui

https://digitalmilieu.net/cosmotechnics-for-a-renewed-concept-of-technology-in-the-anthropocene/

- raynorstack.com

https://raynorstack.com/

Parked Domain name on Hostinger DNS system

https://ambientfreedom.com/

Ambient Era Domain Ecosystem – ambientera.com

https://ambientera.com/ecosystem/

Spaces of Being - Sina Hazratpour

https://sinhp.github.io/posts/2023/06/spaces-of-being

Frontiers | The Active Inference Approach to Ecological Perception: General Information Dynamics for Natural and Artificial Embodied Cognition

https://www.frontiersin.org/journals/robotics-and-ai/articles/10.3389/frobt.2018.00021/full